Confucius, een gerespecteerde Chinese filosoof, leraar en politiek figuur, leefde van 551 tot 479 vGT tijdens de tumultueuze periode van de oostelijke Zhou-dynastie. Zijn leringen legden de nadruk op moraliteit, sociale relaties, rechtvaardigheid en oprechtheid en vormden de basis van het confucianisme. Dit filosofische systeem speelde een cruciale rol bij het vormgeven van de Chinese samenleving en bevorderde waarden als kinderlijke vroomheid, respect voor ouderen en het belang van onderwijs voor persoonlijke ontwikkeling. Confucius geloofde dat ethisch gedrag en onderwijs essentieel zijn voor het bereiken van een harmonieuze samenleving.
Zijn hele leven reisde Confucius door verschillende staten, in een poging zijn ideeën te verspreiden en heersers te adviseren over bestuur. Zijn gedachten werden door zijn discipelen vastgelegd in de 'Analecten', een compilatie die tot op de dag van vandaag van belang blijft in verschillende culturele en filosofische discussies. Deze leringen pleiten voor het ideaal van de ‘gentleman’ of ‘junzi’, die een moreel oprecht individu vertegenwoordigt dat streeft naar zelfverbetering en het welzijn van anderen. Zijn benadering was niet louter theoretisch; Confucius benadrukte de noodzaak van praktische toepassing van morele principes in het dagelijks leven.
Ondanks dat hij tijdens zijn leven met uitdagingen en beperkte erkenning werd geconfronteerd, groeide de invloed van Confucius aanzienlijk na zijn dood. Zijn ideeën legden de basis voor de daaropvolgende politieke theorie en sociale praktijk in China en daarbuiten. Zelfs vandaag de dag resoneren zijn gedachten wereldwijd en dragen ze bij aan discussies over ethiek, leiderschap en onderwijs. De erfenis van Confucius blijkt duidelijk uit het blijvende respect voor humanistische waarden en de nadruk op het belang van morele integriteit in het persoonlijke en openbare leven.