Het personage in de roman worstelt met haar gevoelens voor theologie en gebed. Hoewel ze niet bijzonder enthousiast is over de theologie, begrijpt ze dat gebed een groter doel dient dan alleen maar het degelijke aanpakken. In plaats van het te zien als een vorm van vleierij, ziet ze gebed als een meditatieve praktijk die persoonlijke vrede en reflectie kan brengen. Dit besef brengt een nieuwe dimensie in haar begrip van gebed.
Ze concludeert dat de effectiviteit van gebed niet afhankelijk is van of iemand actief luistert. Dit perspectief benadrukt de intrinsieke waarde van gebed als een hulpmiddel voor meditatie en zelfonderzoek. Uiteindelijk transformeert het haar begrip van spiritualiteit, wat suggereert dat de daad van bidden zelf betekenis en betekenis kan hebben, ongeacht traditionele overtuigingen over het doel ervan.