Alle Spaanse intellectuelen barstten uit in één groot lied van vreugde en hoop. Nu was Spanje schoon. Nu was iedere Spanjaard volkomen gehoorzaam aan Kerk en Koning. Als enige van alle Europese landen was Spanje nu één verenigde massa van loyale mannen, die als één wezen geloofden en handelden. Iedere denker en dichter in Spanje vierde in boek en lied deze glorieuze gebeurtenis, deze gezegende tijd, het aanbreken van de Spaanse Gouden Eeuw. Het was het einde van Spanje.
(All Spanish intellectuals burst into one great song of joy and hope. Now Spain was clean. Now every Spaniard was wholly obedient to Church and King. Alone of all European countries, Spain was now one united mass of loyal men, believing and acting as one being. Every thinker and poet in Spain celebrated in book and song this glorious event, this blessed time, the dawn of Spain's Golden Age. It was the end of Spain.)
De passage belicht een cruciaal moment in de Spaanse geschiedenis en beschrijft een tijd van euforische eenheid onder de intellectuelen. Ze vierden een hernieuwd gevoel van gehoorzaamheid en loyaliteit onder de bevolking jegens de Kerk en de monarch, waarbij ze Spanje afschilderden als een embleem van harmonie en toewijding. Deze wijdverbreide vreugde betekent een collectieve omarming van waarden die aansluiten bij de traditionele autoriteit, wat een diepgaande culturele verschuiving markeert.
Ironisch genoeg wordt dit moment van triomf echter gezien als het begin van de neergang van Spanje. De enthousiaste viering door denkers en dichters maskeerde het verlies van het individuele denken en de vrijheid, wat erop wijst dat het vasthouden aan een unieke ideologie en heerschappij uiteindelijk het potentieel van het land onderdrukte. Hoewel het wordt gepresenteerd als een glorieus tijdperk, voorspelt het dus een verontrustend einde voor het levendige intellectuele en culturele landschap van Spanje.