Het citaat weerspiegelt een diepe bezorgdheid over de ethische behandeling van de natuur en dieren, wat suggereert dat ware misdaden tegen de natuur vaak voor onze mening worden verborgen. De auteur betoogt dat onze afkeer van bepaalde praktijken een morele noodzaak onthult om deze kwesties te herkennen en aan te pakken, wat de grimmige onzichtbaarheid van industriële praktijken zoals sojaproductie in contrasteert met onze bereidheid om hun gevolgen te negeren.
Scully bekritiseert ook argumenten die zelfbedienend gedrag als humanitarisme vermomt en beweert dat deze vorm van menselijke arrogantie schadelijk is. Hij benadrukt het belang van het herkennen van echte genade en medeleven, terwijl hij manipulatieve verhalen afwijst die wreedheid bevorderen onder het mom van plicht, en dringt aan op een eerlijker onderzoek van onze acties naar de natuurlijke wereld en haar inwoners.