Rijken lossen op en volkeren verdwijnen, het gezang gaat niet voorbij.
(Empires dissolve and peoples disappear, song passes not away.)
Dit citaat benadrukt de blijvende kracht van kunst en cultuur vergeleken met de vergankelijke aard van politieke entiteiten en beschavingen. Terwijl rijken opkomen en ten onder gaan, en volkeren uit de geschiedenis vervagen, fungeert de persistentie van zang en muziek als een tijdloos vat voor menselijke emoties en herinneringen. Het suggereert dat kunst een uniek vermogen heeft om de tijd te overstijgen en fungeert als een constante draad die generaties door de eeuwen heen met elkaar verbindt. Het idee moedigt ons aan om creatieve uitingen te koesteren en hun cruciale rol te erkennen in het behoud van identiteit en geschiedenis, zelfs te midden van maatschappelijke onrust.