De kindertijd is wat eeuwig is, en de rest, al de rest, is beknoptheid, extreme beknoptheid.
(Infancy is what is eternal, and the rest, all the rest, is brevity, extreme brevity.)
Dit citaat benadrukt de tijdloze en diepgaande aard van de kindertijd en legt de essentie ervan vast als symbool van onschuld en oneindigheid. Het suggereert dat de ware diepte van de menselijke ervaring ligt in onze vroegste momenten, die eeuwig in ons blijven. De volwassen fasen en externe bezigheden zijn daarentegen vluchtig en gaan snel voorbij als een knipoog in de grootse reikwijdte van het bestaan. Het nodigt uit tot reflectie over hoe onze perceptie van tijd verschuift, wat ons ertoe aanzet de jeugdige, eeuwige kwaliteiten te koesteren die onze identiteit en begrip van het leven bepalen.