Queequeg was ervan overtuigd dat als een man vastbesloten was om te leven, de ziekte nooit in staat zou zijn hem te doden en dat het enige dat zijn leven zou kunnen beëindigen een walvis, een storm of een andere gewelddadige, destructieve en immanente kracht van die aard was.
(Queequeg was convinced that if a man was determined to live, the disease would never be able to kill him and that the only thing that could end his life was a whale, a storm or any other violent, destructive and immanent force of that nature.)
Queequeg heeft een sterk geloof over de aard van het leven en de dood, wat suggereert dat de wil van een persoon om te overleven kan zegevieren over ziekte. Hij denkt dat ziekte het leven van een persoon niet kan beweren zolang ze vastberaden zijn in hun verlangen om te blijven leven. In plaats daarvan ziet hij natuurlijke, catastrofale krachten zoals walvissen of stormen als de ware bedreigingen voor het menselijk leven.
Dit perspectief weerspiegelt een dieper begrip van het bestaan, waarbij menselijke keuzevrijheid en vastberadenheid een cruciale rol spelen bij het overleven. Queequegs kijk legt de nadruk op de kracht van wil tegen de uitdagingen van het leven, het positioneren van externe gevaren als de ultieme factoren die een leven voortijdig kunnen beëindigen.