De Onafhankelijkheidsverklaring, de grondwet van de Verenigde Staten, de grondwetten van de verschillende staten en de organieke wetten van de territoria stellen allemaal voor om de mensen te beschermen bij de uitoefening van hun door God gegeven rechten. Geen van hen pretendeert rechten te verlenen.
(The Declaration of Independence, the United States Constitution, the constitutions of the several states, and the organic laws of the territories all alike propose to protect the people in the exercise of their God-given rights. Not one of them pretends to bestow rights.)
Dit citaat onderstreept een fundamenteel principe over de aard van rechten en de rol van wettelijke kaders in een samenleving. Het benadrukt dat wetten, verdragen en grondwetten geen bronnen van rechten zijn, maar eerder beschermers en bekrachtigers van reeds bestaande rechten die als inherent en goddelijk van aard worden beschouwd. Door de geschiedenis heen zijn veel rechtssystemen paradoxaal genoeg gezien als het verlenen van rechten, wat kan impliceren dat rechten privileges zijn die door de autoriteiten worden verleend. Dit citaat corrigeert deze misvatting echter en herinnert ons eraan dat rechten inherent zijn aan het menselijk bestaan, en dat het de rol van het bestuur is om deze rechten tegen inbreuk te beschermen. Dit onderscheid is van cruciaal belang omdat het het individu in het middelpunt van de rechtenoverwegingen plaatst, waardoor het belang van persoonlijke vrijheid en soevereiniteit wordt versterkt. Wetten zijn dan instrumenten om vrijheid, rechtvaardigheid en gelijkheid te garanderen, zodat individuen hun natuurlijke rechten kunnen uitoefenen zonder onnodige inmenging. Dit perspectief is vooral relevant in discussies over overheidsgezag, burgerrechtenbewegingen en de voortdurende debatten over de reikwijdte en grenzen van wettelijke macht. Het erkennen dat rechten intrinsiek zijn, helpt een samenleving te bevorderen waarin individuen empowerment krijgen en regeringen worden gezien als rentmeesters in plaats van als schenkers van de menselijke vrijheid. Het benadrukt ook het belang van waakzaamheid bij het beschermen van deze rechten tegen aantasting door de wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht of andere machtsbronnen. Uiteindelijk verdedigt deze visie het idee van menselijke waardigheid en de onschendbaarheid van natuurlijke rechten als fundamenteel voor een rechtvaardige samenleving.