Ieder van ons is onvolledig vergeleken met iemand anders - een dier is onvolledig vergeleken met een persoon... en een persoon vergeleken met God, die alleen maar compleet is om denkbeeldig te zijn.
(Each of us is incomplete compared to someone else - an animal's incomplete compared to a person... and a person compared to God, who is complete only to be imaginary.)
Dit citaat onderzoekt de hiërarchische aard van onvolledigheid en benadrukt hoe onze zelfpercepties relatief zijn. Het suggereert dat het menselijk bestaan wordt gekenmerkt door voortdurende tekortkomingen wanneer het wordt vergeleken met hogere entiteiten of idealen, culminerend in het concept van God – een ultieme, maar misschien denkbeeldige, volledigheid. Dergelijke reflecties dagen ons uit om nederigheid in onze zelfevaluatie en de beperkingen van het menselijk begrip in overweging te nemen. Het verwijst ook naar het idee dat veel van onze overtuigingen over goddelijke perfectie constructies van de verbeelding kunnen zijn, ontworpen om de kosmische hiaten in ons begrip op te vullen. Het erkennen van onze plaats binnen dit continuüm kan een gevoel van nederigheid en nieuwsgierigheid naar hogere waarheden bevorderen die buiten ons bereik liggen.