Wat is er sinds de Tweede Wereldoorlog met de architectuur gebeurd dat de enige voorbijgangers die er zonder pijn naar kunnen kijken, degenen zijn die zijn uitgerust met een witte stok en een hond?
(What has happened to architecture since the second world war that the only passers - by who can contemplate it without pain are those equipped with a white stick and a dog?)
Het citaat van Bernard Levin zet op scherpe wijze vraagtekens bij het traject van architectonisch ontwerp en de impact ervan op de publieke perceptie sinds de Tweede Wereldoorlog. Hij suggereert dat de hedendaagse architectuur zo onaangenaam of vervreemdend is geworden dat alleen mensen met een visuele beperking – gesymboliseerd door individuen met witte stokken en geleidehonden – ernaar kunnen kijken zonder ongemak of wanhoop te ervaren. Deze metafoor impliceert dat de esthetische of functionele kwaliteiten van de moderne architectuur gebrekkig of onvoldoende kunnen zijn, wat kan leiden tot een pijnlijke of ontmoedigende ervaring voor ziende waarnemers.
Deze reflectie roept diepere vragen op over de evolutie van architecturale stijlen in de nasleep van een mondiaal conflict dat samenlevingen, technologieën en stedelijke landschappen radicaal transformeerde. De architectuur na de Tweede Wereldoorlog zag de opkomst van het modernisme en brutalisme, die, hoewel ze vanaf het begin innovatief en vooruitstrevend waren, vaak bekritiseerd werden omdat ze koud, onpersoonlijk of hard waren. De opmerking van Levin weerspiegelt een cultureel sentiment dat deze ontwerpen misschien niet emotioneel resoneerden of harmoniëren met de esthetiek op menselijke schaal, wat leidde tot omgevingen die als onuitnodigend of zelfs vijandig werden ervaren.
Het is een oproep om te heroverwegen hoe architecturale beslissingen niet alleen de gebouwde omgeving beïnvloeden, maar ook het emotionele en psychologische welzijn van degenen die deze ruimtes bewonen of zich er doorheen bewegen. Het citaat daagt architecten en planners uit om naast functionaliteit prioriteit te geven aan empathie, schoonheid en menselijke ervaring. Door het beeld van blinden op te roepen als de enigen die de ‘pijn’ van contemplatie hebben gespaard, onderstreept Levin op ironische wijze het visuele lijden dat wordt veroorzaakt door bepaalde moderne architectonische vormen.
Uiteindelijk dient het citaat als kritiek en herinnering: architectuur gaat niet alleen over onderdak of nut; het is een culturele uiting die een diepgaande invloed heeft op het dagelijks leven, de identiteit van de gemeenschap en de emotionele gezondheid. Het architecturale paradigma van na de Tweede Wereldoorlog verdient dus wellicht een rigoureuze herbeoordeling ten gunste van ontwerpen die degenen die ze aanschouwen eerder inspireren dan verontrusten.