Poëzie is componeren voor de adem.
(Poetry is composing for the breath.)
Dit citaat geeft prachtig de essentie weer van poëzie als kunstvorm die intrinsiek verbonden is met onze levenskracht: de adem. Het suggereert dat poëzie niet alleen over woorden gaat, maar over het ritme en de vitaliteit van het leven zelf. Wanneer we poëzie lezen of schrijven, zijn we bezig met een ademhalingsoefening: we halen inspiratie naar binnen en ademen betekenis uit. Het benadrukt de organische, levende aard van poëzie en weerspiegelt hoe zij ons ondersteunt en geneest, net zoals de adem ons lichaam ondersteunt. Dit perspectief moedigt ons aan om poëzie te benaderen met aandacht en bewustzijn van de fundamentele verbinding ervan met de menselijke ervaring.