De puriteinen haalden orgels en schilderijen uit kerken, maar kochten ze voor privégebruik in hun huizen.
(The Puritans removed organs and paintings from churches, but bought them for private use in their homes.)
Dit citaat benadrukt de toewijding van de puriteinen aan eenvoud en hun verzet tegen wat zij zagen als onnodige of opzichtige vertoningen in ereruimtes. Uit hun tegenstrijdige privégedrag blijkt echter dat hun afwijzing van bepaalde kerkelijke praktijken hun waardering voor kunst en schoonheid niet volledig teniet deed; het verschoof eerder van de publieke naar de private sfeer. Het zet aan tot nadenken over hoe persoonlijke voorkeuren en overtuigingen van invloed kunnen zijn op de manier waarop individuen religieuze idealen verzoenen met culturele esthetiek, waarbij vaak de complexiteit onder strikte externe doctrines aan het licht komt.