Het citaat weerspiegelt een diepe strijd met de aard van de realiteit en het geloof. Het drukt een gevoel van verwondering en ongeloof uit over getuige van gebeurtenissen of ervaringen die ongelooflijk lijken, maar toch tastbaar echt zijn. Deze paradox roept vragen op over hoe men verbazing kan verzoenen met de acceptatie van de realiteit. De auteur illustreert een diep psychologisch conflict waar het gewicht van ongeloof botst met het bewijs van iemands zintuigen.
Bovendien benadrukt het citaat de complexiteit van de menselijke perceptie, wat suggereert dat zelfs de meest absurde gebeurtenissen echt kunnen aanvoelen wanneer ze direct worden ervaren. Dit spreekt tot het bredere thema in het werk van Naguib Mahfouz, waar personages vaak worstelen met de surrealistische aspecten van het leven. Uiteindelijk wijst het op de kwetsbaarheid van geloof en hoe persoonlijke ervaringen ons begrip vormen van wat mogelijk is in de wereld om ons heen.